Een verdachte fout terugbrengen van 1,4 miljoen naar 14 voertuigen
In de traditionele opzet wordt kwaliteitsdata tussen een original equipment manufacturer (OEM) en zijn toeleveranciers handmatig uitgewisseld, via losstaande portalen en spreadsheets. Toeleveranciers hebben geen toegang tot vlootdata en kunnen dus niet zien hoe hun eigen componenten zich in het veld gedragen. Gaat er iets mis, dan worden onderdelen tussen locaties heen en weer gestuurd voor onderzoek, een praktijk die kostbaar genoeg is om in de sector een eigen naam te hebben gekregen: parts tourism.
De BMW Group, DENSO, Bosch en enkele andere toeleveranciers werken met de kwaliteitsmanagement-use case die binnen Catena-X is gestandaardiseerd. Daarin deelt de OEM vlootdata rechtstreeks met toeleveranciers, die deze combineren met hun eigen productiedata. De gerapporteerde resultaten zijn opvallend concreet. Fouten worden gemiddeld vier maanden eerder opgemerkt dan met conventionele methoden. Eén vermoede fout in een camerasysteem werd teruggebracht van potentieel 1,4 miljoen voertuigen naar 14. Een nieuwe toeleverancier aansluiten op productieve data-uitwisseling duurt ongeveer vijf weken in plaats van meerdere maanden.
Die vier maanden wegen zwaarder dan ze op het eerste gezicht lijken. Detectiesnelheid is kosten. Elke maand dat een fout onopgemerkt doorwerkt, komen er voertuigen bij in de getroffen populatie, en elk daarvan is een potentiële garantieclaim.
Primaire data in plaats van sectorgemiddelden
Een tweede casus wijst vanuit een andere hoek dezelfde richting op. Berekeningen van de product carbon footprint in de automotive leunen al lang op sectorgemiddelden, omdat primaire data uit diepere toeleveringslagen ontbrak of vastzat in niet-compatibele tools.
In een lopende pilot wisselen Ford, Flex en Micron footprintdata uit over drie lagen, op basis van een gedeelde uitwisselingsstandaard en gedeelde rekenregels. Micron levert als Tier-2-toeleverancier primaire data aan Flex, dat deze verwerkt en verrijkte waarden doorgeeft aan Ford. Wat dit noemenswaardig maakt, is niet de hoeveelheid data maar de structuur: alle drie de bedrijven gebruiken verschillende gecertificeerde software, gekozen op hun eigen IT-landschap, en de uitwisseling werkt toch.
Wat de casussen gemeen hebben
Samen gelezen delen de twee voorbeelden drie structurele kenmerken, en geen daarvan is een technologie.
Het eerste is afgesproken semantiek. Data betekent bij de ontvanger hetzelfde als bij de verzender, omdat de modellen en de rekenregels vooraf zijn afgesproken in plaats van achteraf op elkaar gelegd.
Het tweede is behouden controle. Elke deelnemer bepaalt zelf wat er wordt gedeeld, met wie en onder welke voorwaarden. Dat is wat het mogelijk maakt dat directe concurrenten en partners van zeer verschillende omvang operationele data met elkaar uitwisselen.
Het derde is vrijheid in implementatie. Elke deelnemer sluit aan met software naar eigen keuze en wisselt toch data uit met de rest. Daarin verschilt een data space van een klantportaal: niemand hoeft het systeem van een ander bedrijf over te nemen en niemand zit vast aan één leverancier.
Waarom waarde alleen niet tot adoptie leidt
Elk van deze voordelen schaalt mee met het aantal deelnemers. De kosten niet. Een toeleverancier die aansluit, draagt de volledige onboardinginspanning zelf, terwijl wat hij ervoor terugkrijgt afhangt van hoeveel van zijn klanten en onderleveranciers ook zijn aangesloten. Vlootdata laat pas een patroon zien wanneer een voldoende deel van de vloot is aangesloten. Footprintwaarden worden pas nauwkeuriger wanneer de diepere lagen er ook echt zijn om ze te leveren.
Vooroplopen betekent dus kosten dragen voor een voordeel dat pas komt zodra anderen volgen. Een bedrijf kan volledig overtuigd zijn door de cijfers hierboven en toch rationeel afwachten. Dit is een coördinatieprobleem, en bewijs alleen lost het niet op: de bottleneck is noch overtuigingskracht noch architectuur, maar het gat tussen individueel gedragen kosten en collectief gerealiseerde waarde in de periode vóór kritieke massa.
Meten wat er gebeurt zodra dat gat gedicht wordt
Dat is de gedachte achter de Data Space Accelerator, een studie die de International Data Spaces Association (IDSA) coördineert samen met de Catena-X Automotive Network e.V. en Cofinity-X, gefinancierd door het Duitse Bondsministerie van Economische Zaken en Energie. De opzet is noemenswaardig omdat het een studie is en geen subsidieprogramma. Bedrijven krijgen gestructureerde ondersteuning om tot productieve data-uitwisseling te komen en nemen in ruil daarvoor deel aan begeleidend onderzoek naar wat die uitwisseling hen daadwerkelijk oplevert.
De onderzoeksvraag is precies die welke de bovenstaande casussen openlaten. Losse implementaties tonen waarde aan. Wat nooit op schaal is gemeten, is wat er met die waarde gebeurt wanneer de deelname groeit over een hele waardeketen, inclusief de kleinere toeleveranciers die in vlaggenschipprojecten meestal ontbreken en die de hoogste relatieve onboardinglast dragen.
Als het antwoord uitpakt zoals het huidige bewijs suggereert, hoeft het argument voor industrieel datadelen niet langer op modellen te leunen. Details over de studie, waaronder de deelnamevoorwaarden en de bijbehorende documentatie, staan op https://data-space-accelerator.com
Op Data Expo
Dr. Mario Holesch presenteert Data Sharing: Economic Value Across the Automotive Supply Chain, Built on Trust (in het Engels) op woensdag 9 september 2026 van 16.30 tot 17.00 uur in Lezingenzaal 2 van de Jaarbeurs in Utrecht.
![]()
Deze blogpost is een bijdrage van International Data Spaces Association (IDSA), een internationale organisatie die het concept van data spaces heeft ontwikkeld en de wereldwijde standaard hiervoor ontwikkelt. Ga voor meer informatie naar www.internationaldataspaces.org of bezoek de stand van de International Data Spaces Association op Data Expo.
