Het verkeerde doel: een Europees monopolie van Big Tech
Als het over digitale soevereiniteit gaat, denken velen instinctief aan een Europese tegenhanger van Google of Amazon: een bedrijf dat groot genoeg is om wereldwijd te concurreren, terwijl de winsten, infrastructuur en zeggenschap binnen Europa blijven.
De aantrekkingskracht is begrijpelijk. Een Europese technologiereus zou ervoor kunnen zorgen dat kritieke infrastructuur onderworpen blijft aan Europese wetgeving, toezicht en belangen.
Maar het creëren van een Europese versie van de huidige Big Tech-bedrijven brengt het risico met zich mee dat dezelfde problemen opnieuw ontstaan die Europa juist probeert op te lossen. Grote technologische monopolies creëren afhankelijkheid. Ze bemoeilijken migratie, sluiten klanten op in eigen ecosystemen en verwerven enorme invloed op bedrijven, overheden en burgers.
Of het hoofdkantoor nu in Californië of in Brussel is gevestigd, machtsconcentratie blijft machtsconcentratie.
Digitale soevereiniteit mag niet betekenen dat de ene afhankelijkheid door de andere wordt vervangen.
“Tientallen kleinere aanbieders die concurreren op klantervaring zullen altijd winnen van twee reuzen die concurreren op het gebied van lock-in.”
— André Meij
Het concurrentievoordeel van Europa ligt niet in schaalgrootte
In het debat over soevereiniteit wordt vaak aangenomen dat Europa het Amerikaanse technologiemodel moet navolgen om ermee te kunnen concurreren. Toch ligt de kracht van Europa wellicht ergens anders.
De Verenigde Staten blinken uit in het creëren van technologiereuzen. China heeft een sterk gecentraliseerd digitaal ecosysteem ontwikkeld. Europa daarentegen heeft herhaaldelijk blijk gegeven van kracht in samenwerking via standaarden.
Telecommunicatie is hiervan een sprekend voorbeeld. Europa is niet succesvol geworden door één enkel telecommonopolie te creëren. Het heeft gemeenschappelijke standaarden vastgesteld waardoor veel aanbieders uit verschillende landen konden samenwerken. Consumenten profiteerden van concurrentie, nummerportabiliteit en interoperabiliteit.
Hetzelfde principe zou als leidraad kunnen dienen voor de digitale toekomst van Europa.
In plaats van te streven naar één dominante Europese aanbieder, kan Europa de voorwaarden scheppen waarin veel aanbieders met elkaar concurreren en tegelijkertijd samenwerken.
Een gefedereerd alternatief
Een gefedereerd digitaal ecosysteem biedt een ander model.
Het idee begint al vorm te krijgen. Gaia-X heeft federatie, vertrouwenskaders en interoperabele data-infrastructuur centraal gesteld in de Europese discussie over soevereiniteit. EuroStack pleit voor een bredere Europese technologiestack die cloud, software, AI, connectiviteit en platforms omvat.
De volgende uitdaging is om die ambities om te zetten in praktische marktregels en diensten die organisaties daadwerkelijk kunnen gebruiken.
In een gefedereerd systeem concurreren aanbieders met elkaar, terwijl ze zich houden aan gedeelde technische en wettelijke normen. Klanten kunnen tussen hen wisselen zonder dat dit gepaard gaat met onbetaalbare kosten, complexiteit of verstoring. Innovatie gaat door, maar geen enkel individueel bedrijf wordt onmisbaar.
E-mail is hiervan een bekend voorbeeld. Gebruikers bij talloze aanbieders kunnen met elkaar communiceren omdat gedeelde protocollen interoperabiliteit mogelijk maken. Standaarden zoals SMTP, IMAP en nieuwere benaderingen zoals JMAP zorgen ervoor dat diensten kunnen samenwerken zonder dat iedereen hetzelfde platform hoeft te gebruiken.
E-mail laat ook zien waarom normen alleen niet voldoende zijn. Open protocollen hebben concentratie niet kunnen voorkomen. Gmail en Outlook oefenen nog steeds enorme invloed uit op de bezorgbaarheid, het filteren van spam en de verwachtingen van gebruikers.
Dat versterkt de argumenten voor federatie in plaats van ze te verzwakken. Het toont aan dat open standaarden moeten worden gecombineerd met overdraagbaarheid, transparant bestuur en daadwerkelijke overstapmogelijkheden.
“We moeten de geest van het vroege internet nieuw leven inblazen: interoperabiliteit via open standaarden, geen ‘walled gardens’.”
Toegepast op de digitale infrastructuur van Europa zou federatie cloud computing, opslag, samenwerking, identiteit, AI, communicatie en andere essentiële diensten kunnen omvatten.
Het model sluit naadloos aan bij de Europese prioriteiten: concurrentie in plaats van monopolie, overdraagbaarheid in plaats van lock-in, samenwerking in plaats van centralisatie en veerkracht in plaats van afhankelijkheid.
Het belangrijkste is dat het soevereiniteit creëert zonder afbreuk te doen aan diversiteit.
Migratie is het ontbrekende stukje
Eén kwestie staat consequent centraal in digitale soevereiniteit: migratie.
Veel organisaties willen al geloofwaardige alternatieven voor hyperscale-cloudproviders. Hun grootste obstakel is vaak niet de bereidheid om weg te gaan, maar de moeilijkheid om daadwerkelijk over te stappen.
Moderne platforms maken het aanmelden doorgaans eenvoudig, terwijl het vertrek aanzienlijk moeilijker wordt gemaakt. Eigen API’s, technische afhankelijkheden, incompatibele gegevensformaten, contractuele complexiteit en operationele risico’s zorgen voor krachtige vormen van lock-in.
Organisaties blijven daarom mogelijk bij een aanbieder, niet omdat deze nog steeds hun voorkeurskeuze is, maar omdat overstappen te kostbaar of te verstorend lijkt.
“Klanten moeten blijven omdat ze dat willen, niet omdat ze niet weg kunnen.”
Dat leidt tot een eenvoudig principe: elke digitale dienst moet een exitstrategie hebben.
Migratie moet worden beschouwd als een fundamentele mogelijkheid, niet als een bijzaak.
Een werkelijk soeverein ecosysteem zou klanten in staat stellen om gegevens, workloads, identiteiten en diensten op voorspelbare wijze tussen aanbieders te verplaatsen. Dat vereist gemeenschappelijke API’s, gedocumenteerde gegevensmodellen, gestandaardiseerde exportformaten, interoperabiliteitseisen en ontvangstsystemen die in staat zijn om te verwerken wat een andere aanbieder exporteert.
Ook hier maakt e-mail het principe tastbaar. De analogie is niet perfect, maar gebruikers begrijpen dat ze toegang moeten kunnen krijgen tot hun berichten via vertrouwde clients en hun gegevens moeten kunnen verplaatsen zonder hun hele digitale leven opnieuw op te bouwen.
Clouddiensten hebben vergelijkbare mechanismen nodig: niet alleen downloadbare archieven, maar gedocumenteerde schema’s, overdraagbaarheid van workloads, overdraagbaarheid van identiteiten, machinaal leesbare formaten en interoperabele interfaces.
De Europese wetgeving evolueert steeds meer in deze richting. De EU-gegevenswet bevat vereisten met betrekking tot het overstappen tussen gegevensverwerkingsdiensten, interoperabiliteit en het wegnemen van commerciële, contractuele en technische belemmeringen voor cloudmigratie. Ook worden overstapkosten geleidelijk afgeschaft.
Het principe is krachtig omdat soevereiniteit meetbaar wordt. Kan de klant vertrekken? Kan een andere aanbieder het overnemen? Kunnen essentiële gegevens en diensten blijven functioneren?
“Een vertrek mag geen vlucht zijn. Als het verlaten van je aanbieder aanvoelt als een gevangenisontsnapping, is de markt niet in orde.”
Soevereiniteit vereist meer dan alleen gegevensopslaglocatie
De snelle groei van het aanbod van „Europese clouddiensten“ en Europese datacenters pakt een belangrijk deel van de soevereiniteitskwestie aan, maar de fysieke locatie alleen kan geen onafhankelijkheid garanderen.
Organisaties denken steeds vaker na over wat er zou gebeuren als buitenlandse regeringen, rechtsstelsels of bedrijfsbeslissingen de toegang tot kritieke infrastructuur zouden beïnvloeden.
Voor bedrijven en openbare instellingen betekent soevereiniteit daarom meer dan alleen weten waar een server zich bevindt. Het betekent begrijpen wie de infrastructuur beheert, wie de toegang ertoe regelt, welke wetten van toepassing zijn en of de activiteiten zouden kunnen doorgaan als relaties of geopolitieke omstandigheden zouden veranderen.
Echte soevereiniteit vereist transparantie, overdraagbaarheid, juridische duidelijkheid en operationele onafhankelijkheid.
De locatie van gegevens is van belang. Maar het is slechts één onderdeel van een veel bredere veerkrachtstrategie.
Regelgeving als marktinstrument
Europa wordt vaak bekritiseerd omdat het technologie te agressief reguleert. Slecht opgestelde regelgeving kan inderdaad innovatie vertragen of onevenredige lasten opleggen aan kleinere bedrijven.
Maar regelgeving kan ook een van de meest effectieve strategische instrumenten van Europa zijn wanneer deze markten mogelijk maakt in plaats van technologieën op te leggen.
Dit onderscheid is cruciaal.
Beleidsmakers hoeven niet per se precies voor te schrijven hoe systemen moeten worden opgebouwd. In plaats daarvan kunnen zij de voorwaarden vaststellen waaraan een gezonde digitale markt moet voldoen: klanten moeten kunnen overstappen, gegevens moeten overdraagbaar blijven, aanbieders moeten interoperabiliteit ondersteunen, open standaarden moeten worden aangemoedigd en kritieke infrastructuur moet veerkrachtig blijven.
Wetgeving kan het eindresultaat vastleggen, terwijl bedrijven de vrijheid behouden om te concurreren over de beste manier om dat te bereiken.
Als deze aanpak goed wordt uitgevoerd, ondersteunt zij innovatie en maakt zij lock-in en buitensporige concentratie moeilijker vol te houden.
Waarom Europa nu moet handelen
Technologie is een geopolitieke troef geworden.
Cloudinfrastructuur, communicatie, kunstmatige intelligentie, softwareplatforms en data-ecosystemen zijn niet langer louter commerciële diensten. Ze beïnvloeden het economisch concurrentievermogen, de politieke onafhankelijkheid, het openbaar bestuur en de nationale veiligheid.
Europa kan het zich niet veroorloven de volgende generatie digitale infrastructuur louter als consument te benaderen.
Kunstmatige intelligentie biedt een bijzonder belangrijke kans. In plaats van AI te bouwen op basis van hetzelfde gecentraliseerde infrastructuurmodel dat de huidige cloudmarkt domineert, kan Europa vanaf het begin interoperabiliteit, openheid, overdraagbaarheid en federatie inbouwen.
Kleinere Europese aanbieders spelen een belangrijke rol in die toekomst. Ze hoeven niet allemaal hyperscalers te worden.
Hun diensten moeten interoperabel en betrouwbaar zijn, en het moet eenvoudig zijn om over te stappen.
Paradoxaal genoeg kan een markt waarin klanten gemakkelijk kunnen overstappen, juist sterkere aanbieders voortbrengen, omdat bedrijven voortdurend loyaliteit moeten verdienen door middel van service, innovatie, veiligheid en vertrouwen, in plaats van door technische afhankelijkheid.
“In Europa hebben we niet echt concurrenten, we hebben vrienden die naar hetzelfde doel toewerken.”
Een Europese weg voorwaarts
Diana Krieger, CEO van Soverin, vat de kans als volgt samen:
“Europa hoeft geen kopie van Google te bouwen. Het moet iets fundamenteel anders opbouwen: open, soeverein en in lijn met Europese waarden. Echte digitale onafhankelijkheid begint wanneer communicatie, samenwerking en infrastructuur niet langer worden gecontroleerd door op surveillance gerichte platforms. En echte veerkracht betekent het hebben van een geloofwaardig Plan B, opgebouwd door Europese samenwerking, in plaats van afhankelijkheid van één enkele leverancier of één enkel ecosysteem.”
De toekomst van de Europese digitale soevereiniteit hangt niet af van het voortbrengen van één bedrijf dat Silicon Valley kan evenaren.
Het hangt af van het creëren van een omgeving waarin veel aanbieders samen succesvol kunnen zijn.
Een gefedereerd ecosysteem op basis van open standaarden, interoperabiliteit, overdraagbaarheid en eenvoudige migratie zou voortbouwen op enkele van Europa’s grootste sterke punten: samenwerking, diversiteit, institutioneel vertrouwen en het vermogen om gemeenschappelijke regels vast te stellen voor complexe markten.
Het zou ook voortbouwen op de richting die al zichtbaar is in initiatieven zoals Gaia-X, EuroStack, de EU-gegevenswet en de bredere beweging naar veerkrachtige Europese digitale infrastructuur.
Voor het Data Sovereignty Pavilion op Expo 2026 is dit wellicht het belangrijkste idee om te demonstreren: soevereiniteit gaat niet alleen over het bezit van infrastructuur. Het gaat over het behoud van keuzevrijheid.
Het doel mag niet een Europese Google zijn.
Het moet iets ambitieuzers zijn: een digitaal ecosysteem waarin geen enkele aanbieder onmisbaar wordt, geen enkele klant in de val raakt en veerkracht voortkomt uit het vermogen om te verhuizen, samen te werken en zich aan te passen.
Dat is misschien niet de Amerikaanse manier.
Maar het zou wel de Europese manier kunnen worden.
Deze blogpost is een bijdrage van Soverin, een Europese privacy-first e-mailprovider die zich inzet voor digitale soevereiniteit door middel van open ecosystemen, Europese infrastructuur en een bedrijfsmodel zonder surveillance. Ga voor meer informatie naar https://soverin.com/? of kom langs bij de Soverin-stand op Data Expo.
Auteurs: André Meij & Genevieve O’Kelly